Krokodillen.

Krokodillen kunnen heel goed in het water leven. Het hele lijf is daar op gebouwd. Ze kunnen een paar uur onder water blijven zonder adem te halen. Dan daalt de hartslag tot 3 slagen per minuut. Ze kunnen zelfs met hun bek open onder water blijven. Dit komt door een waterdicht schot voor in zijn keelgat.

Hun neus, ogen en oren liggen boven aan zijn kop. Zo kunnen ze heel stil in het water liggen en toch hun prooi goed in de gaten houden. Als de krokodil onder water is, gaat er een vlies over het oog. Dit is een soort duikbril. Hij kan dus heel goed zien onder water.

De neus wordt afgesloten met een spier. Daar komt dan geen water in. De oren die vlak achter de ogen zitten worden beschermd door een grote schub. De krokodil heeft twee voorpoten en twee achterpoten. Aan elke voorpoot zitten vijf tenen. Aan elke achterpoot vier tenen. Tussen deze tenen zitten meestal zwemvliezen. Ook heeft de krokodil een sterke brede staart. Hier kan hij flinke klappen mee uitdelen. Hij gebruikt de staart ook om mee te zwemmen. Bij het zwemmen legt hij zijn poten tegen het lichaam aan. Hun huid bestaat uit harde hoornplaatjes. Deze hoornplaatjes zijn versterkt met been.  

Slangen.          (over slangen is meer info!)

Slangen zijn reptielen en er zijn meer dan 3000 slangensoorten. Genoeg slangen dus om over te vertellen tijdens je spreekbeurt slangen. Niet alle slangen zijn giftig, slechts 15% van alle slangensoorten is giftig. Een slang heeft geen ledematen en beweegt zich dus voor op zijn buik. Slangen hebben dus geen poten zoals andere dieren. De binnenkant van een slang bestaat uit een skelet. Een slang heeft een schedel en een wervelkolom.

De huid van de slang.

Een slang heeft een geschubde huid.
De huid geeft behoorlijk mee wanneer de slang beweegt of eet. De schubben bestaan meestal uit een hoornachtige stof die keratine heet.
De ogen van de slang zijn bedekt met een heldere, blaasvormige schub die de ogen beschermen en 'bril' wordt genoemd.
De kleur van de slang verschilt enorm. Er zijn zwarte slangen maar ook witte slangen De meeste slangen danken hun kleur aan pigmenten in hun schubben.
Er zijn ook pigmentarme slangen, deze slangen zien er spierwit uit. Dit wordt leucistic genoemd.
Jonge slangen vervellen om de 3 á 4 weken en volwassen slangen vervellen zo'n 6 keer per jaar. Alleen als er een nieuwe huid met schubben onder de oude huid is gegroeid vervellen slangen.
De slang kruipt uit zijn vel en dit gebeurt in één keer. Als je een slangenvel ziet, is het altijd binnenstebuiten.
Als een ratelslang vervelt blijft er een stukje aan het eind van de staart achter en wordt de ratel weer iets groter.

Hoe eet de slang.

Bij het zoeken naar een prooi maakt de slang gebruik van zijn tong, omdat hij niet zo goed kan zien en horen.
Veel slangen jagen op hun prooi, een aantal slangen jagen niet maar liggen te wachten op hun prooi.
De beste tijd om te jagen is de schemertijd. Dan komen de meeste knaagdieren te voorschijn.
Welk voedsel ze eten en hoe ze hun prooi vangen, hangt af van de grootte, de soort en waar ze leven. Er zijn slangen die alleen slakken eten en slangen die alleen de eieren van vogels en reptielen eten. Enkele slangen eten andere slangen.
Slangen verteren hun voedsel langzaam en kunnen lange tijd zonder eten.
De meeste slangen hebben korte, scherpe, naar achteren gerichte tanden.
Deze zijn geschikt om een prooi te pakken en vast te houden, niet om een prooi in stukken te hakken. Gifslangen hebben enkele grote tanden, de giftanden.
Deze zitten voor of achter in de bek.
Als de slang bijt, stroomt gif door de holle giftand waardoor de prooidier wordt gedood. Alle slangen slikken de prooi met de kop naar voren in.
Grote hoeveelheden slijm zorgen ervoor dat de prooi verder naar binnen glijdt.
Als een slang een grote prooi doorslikt beweegt de luchtpijp naar voren in de bek, zodat de slang geen problemen krijgt met ademhalen.
De luchtpijp ligt onder in de bek.

Wurgslangen en gifslangen.

Er zijn 2 soorten slangen
- wurgslangen
Deze slangen doden hun prooi door verwurging. De prooidieren stikken en worden daarna opgegeten.
Als een wurgslang een prooi vast heeft wikkelt hij zich zo snel mogelijk er omheen.
Elke keer als de prooi uitademt maakt de slang zijn omwikkeling strakker totdat de prooi dood is.
- gifslangen
Deze slangen gebruiken gif om hun prooidieren te doden. Nadat ze gedood zijn, worden opgegeten.
Zij slaan gif op in hun kop.
Als de gifslang met zijn grote tanden in een prooi bijt, zorgt de gifblaas dat het gif via de tanden in de prooi komt en gaat deze dood. Er zijn ongeveer 700 soorten giftige slangen.
Slechts de helft hiervan is in staat een mens te doden.
Om te voorkomen dat mensen dood gaan aan een slangenbeet verzamelt men gif van slangen om tegengif (serum) te maken.
Het gif wordt verzameld door een slang door het deksel van een pot te laten bijten. Iemand die het gif opvangt wordt wel gifmelker genoemd.

Slangen in Nederland.

In Nederland komen 3 soorten slangen voor, de adder, de ringslang en de gladde slang. Al deze slangen zijn beschermde dieren. Je mag ze dus niet vangen of doden.
Ze zijn niet gevaarlijk voor mensen.
De adder is een gifslang, maar niet geheel ongevaarlijk voor mensen. Ze zal alleen dan bijten, indien het in een bedreigde situatie komt.

Ze komen voornamelijk voor in droge gedeelten van veengebieden en heidevelden.
De adder is te herkennen aan de donkere zigzaglijn op de rug.
De ringslang is een slang welke leeft van amfibiëen, vissen, slakken en regenwormen . Ze leven voornamelijk bij water. Aan beide kanten van de kop heeft de ringslang een witte of oranjekleurige vlek waaraan het zijn naam dankt. De gladde slang is een wurgslang en komt voornamelijk voor op heidevelden, open plekken in het bos en bosranden. Deze slangen hebben een donkerbruine streep die vanaf de neusgaten dwars door het oog tot in de nek loopt. Deze soort is vrij zeldzaam.
Er is ook een hagedissensoort welke men soms voor een slang aanziet. Het is de hazelworm, een pootloze hagedis.
Dit dier is ongevaarlijk

Slang als huisdier.

Op dit moment wordt de slang door veel mensen als huisdier gehouden.
Je houdt ze in een terrarium. Een soort aquarium maar dan zonder water.
Je richt zo'n bak in met planten, stenen en hout.
Verder moet je zorgen voor een verwarmingsbron, een lamp, een kabel of een verwarmingsmatje.
Elke slang stelt zijn eigen eisen zodat je wel moet weten hoe het klimaat is waar het dier vandaan komt
Tegenwoordig worden veel slangen gekweekt en niet meer uit de natuur gevangen.
De zeldzame slangen zijn daarom ook beschermd en mogen slecht met een vergunning (CITES) gehouden worden.

De kameleon.

De latijnse naam voor de kameleon is Chamaeleon. kameleons zijn verticaal afgeplatte dieren met een lange grijpstaart. Op de kop, rug, staart en onderkeel en buik hebben veel soorten een kam. De vijf tenen zijn per twee en drie aan elkaar vergroeid tot een voetje. De tong is zo lang als lichaam en staart samen, heeft eem verdikt uiteinde en wordt gebruikt om zijn prooi te vangen ( zie foto onder ). De ogen zijn onafhankelijk van elkaar beweegbaar en zitten in beweeglijke torentjes zodat het lichaam stil kan blijven terwijl de ogen bewegen. Deze torentjes zijn aan elkaar vergroeide oogleden die alleen de pupil laten zien.
Kameleons kunnen lang niet altijd zo sterk van kleur veranderen als men denkt. Afwisselende kleuren hebben hun nut bij het imponeren/bevechten van hun rivalen, het dag-nachtritme, het afschrikken van aanvallers, camouflage en bij de paring. Zwangere kameleons tonen met kleuren aan dat ze niet meer willen paren. Als een kameleon meer warmte wil wordt hij donkerder van kleur. Wil hij warmte afgeven , dan zal hij lichter van kleur worden.
Kleinere kameleon soorten worden van nature nooit erg oud, meestal niet ouder dan één tot anderhalf jaar, terwijl veel grotere soorten tot ca. 10 jaar kunnen worden.
Deze bizarre beestjes zijn afkomstig uit vele delen van de wereld , ze leven in ook in zeer verschillende biotopen oftewel verschillende leefmilieu's zoals onder andere Afrika , Arabië, India en Sri Lanka.
Kameleon's zijn stress gevoelig en moeten echt zo min mogelijk gehanteerd worden, en moeten zo veel mogelijk met rust gelaten worden. Bij een simpele verplaatsing bijvoorbeeld kun je het beste de kameleon op een tak laten klimmen en verplaats die tak. Bij gevaar vertouwen kameleons in eerste instantie op hun schutkleur en verstoppen hun lichaam achter de tak waar ze op zitten. Daarna dreigen ze met kleuren, opgeblazen lichaam ,opgezette keel , open bek en sissen. Ze kunnen hard bijten. Ook zijn ze in principe traag ,maar kunnen in nood toch vlug zijn.

Hagedissen.

Hagedissen behoren net zoals slangen tot de geschubde rep­tielen. Anders dan slangen hebben de meeste hagedissen wel poten, beweegbare oogleden, oren en een ingekeepte tong in plaats van een gespleten tong, maar er zijn uitzonderingen. Sommige hagedissen, bijvoorbeeld glashagedissen, hebben korte of helemaal geen poten. Sommige kleine skin­ken hebben in plaats van oogleden een bril. Varanen hebben gespleten tongen. Veel hagedissen hebben een derde oog
waarmee ze het stra­lingsniveau van de zon in de gaten houden.

Meer weten over de hagedis? Ga dan naar:

http://www.beesies.nl/hagedis.htm    

De komodovaraan.

De kop is meestal spits toelopend; de ooropeningen zijn goed zichtbaar; de ogen die
een ronde pupil hebben kunnen met oogleden worden afgesloten; de kaken hebben
naar achter gerichte tanden.
Elke poot heeft vijf tenen, met daaraan lange
scherpe klauwen. Met deze poten kan hij het
massieve lichaam van de grond tillen. Een
lange, dikke staart fungeert als stuur-, roei- en
grijporgaan en wapen.
De lichaamsbedekking bestaat uit kleine
schubben die elkaar niet overlappen.
Alle varanen zijn dagdieren. Pas als de zon aan
de hemel staat en het warmer is geworden
ontplooien ze hun volle activiteit. Ze kunnen
hard lopen, waarbij ze de staart meestal iets
omhoog houden. De meeste soorten zijn,
mede dankzij de lange, krachtige klauwen,
uitstekende klimmers.
Ze gebruiken hun klauwen ook om woonholen te graven of door knaagdieren
aangelegde holen daartoe om te bouwen.
Zonder uitzondering zijn het goede zwemmers. Bij het slapen leunt een varaan
meestal tegen iets aan, bijvoorbeeld een steen. De staart rollen ze daarbij op en de
voorpoten vouwen ze naar achter.
Bij gevaar vluchten varanen hun hol, een boom of het water in. Worden ze in het
nauw gedreven dan zijn het gevaarlijke tegenstanders, die zelfs een veel grotere
vijand aanvallen. Met wijd open bek, opgezwollen hals en luid snuivend en sissend
bedreigt een varaan zijn tegenstander. Als voorbereiding op de aanval richt hij zijn
lichaam op de achterpoten op en deelt met zijn staart nauwkeurig slagen uit. De
scherpe tanden en klauwen zijn geduchte wapens.

Kikkers.   (Over kikkers is meer info.)

Je kent natuurlijk kikkers.
Misschien heb je ooit wel eens gezien, of op een mooie zomer avond een kikker horen kwaken.
Een kikker word ook wel kikvors genoemd.
Het heeft twee betekenissen heb je ooit gehoord van kikvorsman een kikvorsman is geen mannetjeskikker, maar een duiker.
Een duiker moet vaak heel diep onder water gaan.
Hij heeft een rubberpak aan, dat bedekt z’n hele lichaam.
Aan z’n voeten heeft hij zwemvliezen, daarom noemt men hem kikvorsman. Kikkers zijn te vinden bij en in het water,en dan zwemmen ze in het water, en dan springen ze rond in de sloot.
Maar dat is eigenlijk heel vreemd, want ze zijn graag in het water maar echte waterdieren zijn het ook niet.
Kikkers leven ook niet graag op het land, dus echte landdieren zijn het ook niet.
Echte landdieren kunnen niet in het water leven.
Dieren die geen landdieren zijn en ook geen echte waterdieren zijn noemen we amfibieen.

Soorten kikkers.

 Er zijn veel soorten kikkers op de wereld.
In Nederland zie je de  bruine en de groene kikker het meest.
De groene kikkers zijn graag veel in het water, de bruine kikker leeft liever bij de sloot.
Hij gaat niet zo vaak in het water hij leeft liever in de modder.
En heel bijzonder zijn de boomkikkers in de hele wereld zijn boomkikkers.
Ze leven natuurlijk in bomen, dat zegt de naam al.
Er zijn meer dan 3900 soorten kikkers. Een dodelijke kikker is de pijlgifkikker.
Sommige van deze kikker leven in bomen, en anderen weer op de grond.
Ze hebben alle maal dodelijk gif in zich.
Gifkikkers hebben allemaal felle kleuren, soms gestreept en soms met stippen met die kleuren zeggen ze tegen vijanden pas opblijf van me af.

Wat eten kikkers.

Kikkers eten insecten, spinnen en slakken.
Een kikker zit lang te wachten voordat er iets lekkers voorbij vliegt, of kruipt.
Maar ze zijn erg handig om hun prooi te vangen.
Voor in de bek zit een lange tong die tong kleeft een beetje.
De kikker  kan zijn tong naar buiten klappen, en dan zit er een beestje in. Tanden heeft de kikker niet.
Hij heeft wel hele kleine tandjes maar die zijn alleen maar voor de prooi vast te houden.

De witerslaap van een kikker.

Je ziet s’winters geen kikkers, omdat ze op de bodem van de sloot of vijver een winterslaap houden.
S’winters is het koud in de sloot, maar dat maakt niets uit voor de kikker want hij is een koudbloedig dier.
Wij mensen zijn warmbloedig.

Van eitje tot kikker.

Het is voorjaar de zon verwarmt het water de sloot.
De kikkers merken het dan worden ze waker rond maart gaan de bruine kikkers een vrouwtje zoeken.
De bruine kikkermannetjes proberen een vrouwtje te lokken door een knorrend geluid te maken de bruine kikker vrouwtjes vinden dat een mooi geluid dus komen ze er op af.
De groene kikker mannetjes gaan rond mei een vrouwtje zoeken.
Zij maken nog een harder geluid dat noemt men het echte kwaken.
De vrouwtjes van de bruine kikker leggen hun eitjes ook in maart. En de groene kikkervrouwtjes leggen hun eitjes in mei.
De groene en het bruine kikker vrouwtjes leggen zoiets 4000 eitjes, die in een grote klont aan elkaar.
Ze drijven boven water in de sloot, tussen de waterplanten.
Zo’n eitje is een klein doorzichtig bolletje, er zit een klein zwart puntje in.
Zo’n groep eitjes noemt men kikkerdril.
Het is erg slijmerig, die gladde laag zit er niets voor niets om, dat is voedsel voor de kikkervisjes, voor als ze uit hun ei komen, en het is ook een bescherm laagje.
Een dikdopje is een ander woord voor kikkervisje, die naam kun je begrijpen als je er een ziet.
Als ze uit hun ei komen hebben ze een staartje, na een tijdje verdwijnt het staartje.
Als het kikkervisje groot is begint hij z’n achterpoten te gebruiken, de voorpoten beginnen te groeien. 
Hij is een echte kikker geworden.

 

 

De kraaghagedis.

De kraaghagedis dankt zijn naam aan de reusachtige kraagachtige huidplooi die hij bij gevaar als een paraplu opent om belagers af te schrikken. Daarbij laat hij met geopende bek een sissend geluid horen. Snel daarna slaat hij op de vlucht, liefst een boom in.

Als je nog meer wilt weten over reptielen ga dan naar:

http://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_reptielen