Uilen.                (Over uilen is meer info en uilen soorten!)

De uil heeft veel betere ogen en oren dan mensen. De ogen van de uil zitten aan de voorkant van zijn kop en niet zoals bij de meeste vogels aan de zijkant. Daardoor kunnen ze beter diepte zien en kunnen ze beter schatten wat de afstand naar hun prooi is. Ze kunnen ook heel goed in het donker zien. Hun ogen kunnen niet in hun kas (uitleggen) draaien zoals wij, maar de uil heeft een heel soepele hals waarmee hij 270 graden kan draaien. Probeer dat maar eens na te doen.  Ze hebben een derde ooglid het knipvlies. Boven de ogen heeft een ransuil twee lange pluimen die wel op oren lijken. We noemen ze daarom oorpluimen. Maar pas op: het zijn geen oren! De echte oren van uilen zijn kleine openingen. Je kunt die niet zien. Ze zitten onder de veren van de kop.  De uil heeft ook supergevoelige oren. Dat is belangrijk want zo kan hij ‘s nachts zijn prooi horen, en misschien opeten.  

De jonkies van een uil.

Uilen leggen hun eieren in oudere nesten van andere vogels, boomholtes, rotsspleten of in scheuren van muren. De eieren zijn bijna rond en zuiver wit. Ze leggen twee tot zeven eieren niet allemaal tegelijk zodat ze ook niet allemaal tegelijk uitkomen. Er zitten dan jongere en oudere uilskuikens in één nest. Als ze geboren worden zitten de ogen en de oren nog dicht. Eerst hebben de jongen alleen een laagje dons in plaats van veren. Als ze nog in het nest zitten gaan ze in de rui. De rui betekent dat ze hun dons verliezen en een nieuw donspakje krijgen. Een paar weken later beginnen de echte veren te groeien. Ze kunnen dan nog niet vliegen maar ze komen wel met een hoop herrie uit het nest om de omgeving te verkennen. Fladderend vallen ze soms op de grond. Daar worden ze soms gevonden door mensen . Die mensen nemen de vogels mee om ze naar een dierentuin of vogelopvang te brengen. Dat hoeft helemaal niet want de ouders zijn altijd in de buurt, al zie je ze niet. Zij verzorgen hun jongen, ook als ze op de grond zitten.

Soorten uilen.

Er zijn 134 verschillende soorten uilen in de hele wereld. De bekendste uilen in Nederland zijn de bosuil, de ransuil, de steenuil en de kerkuil. 

De bosuil.

De bosuil komt voor in bossen, zoals de naam al zegt. Het is een dappere vogel, hij durft zelfs mensen aan te vallen als die te dicht bij zijn nest komen. Ze jagen ‘’s nachts op insecten, kleine vogels, muizen en kikkers. Met de bosuil gaat het wel goed in Nederland. Hij heeft geleerd dicht bij de mensen te wonen. Hij past zich aan. 

De ransuil.

Ransuilen zijn kleiner dan bosuilen en ze hebben oorpluimpjes. Ze zijn roestbruin en hebben grijze en gele vlekjes. Als hij heel stil zit en zijn oorpluimpjes dicht tegen zijn kop houdt lijkt hij net op een boomstronk en heeft niemand hem in de gaten. De ransuilen leven bijna net zoals de bosuil. Maar ransuilen leven in de winter vaak in groepjes bij elkaar. Ze leven vooral van muizen.   

 

De steenuil.

De steenuil is kleiner dan de ransuil, hij weegt niet meer dan een appel! Steenuilen zijn geen echte nachtvogels, ze jagen ook wel ‘’s morgens vroeg als het nog een beetje donker is. Ze maken wel geluid bij het vliegen en ze vliegen sneller dan de meeste andere uilen. Ze eten voornamelijk insecten. Ze maken soms een vreemd geluid dat klinkt als ”koe-wiet” het lijkt op het geluid van een kat:miauw. Vroeger vonden de mensen de steenuil daarom een beetje griezelig.   

 

De kerkuil.

De kerkuil is een van de bekendste uilen. De kerkuil is lichtbruin en heeft een bijna witte buik. Zijn gezicht is wit en heeft de vorm van een hart.Zijn poten zijn lang en ook zijn vleugels zijn langer dan de vleugels van andere vogels. Ze eten muizen of soms wel kikkers en ratten. Het gaat niet zo goed met de kerkuil want er zijn steeds minder plaatsen waar de kerkuil zijn nest kan maken. Bijvoorbeeld in oude schuren of in gaten van kerktorens. Deze worden dichtgemaakt en oude schuren worden vervagen door metalen bouwwerken waar de kerkuil niet meer naar binnen kan. Dus wat moeten we daar aan doen? Nestkasten plaatsen!   

 

De grootste en de kleinste uil.

De grootste uil is de oehoe en raad eens wat voor geluid hij maakt. Hij weegt bijna drie kilo en als hij zijn vleugels spreidt is de afstand wel twee meter. Hij kan 70 cm lang worden en hij heeft 6 cm lange oorpluimen. De kleinste uil is de dwerguil hij is bijvoorbeeld zolang 

Grafiek Verschillende lengtes:

  • Steenuil 22 cm
  • Kerkuil 34 cm
  • Ransuil 36 cm
  • Bosuil 38 cm
  • Oehoe 70 cm
  • De dwerguil is ongeveer 15 cm.

Braakballen.

Uilen slikken hun prooi vaak in zijn geheel in. De stukjes die onverteerbaar zijn, blijven in hun maag achter en worden na verloop van tijd weer uitgebraakt. Dit zijn braakballen. Braakballen zijn helemaal niet vies. Als je ze uit elkaar peutert, dan kom je precies te weten wat uilen eten. Je vindt bijvoorbeeld een schedeltje en haren van een veldmuis, een pootje van een mol, de schildjes van een kever of wat veren van een mus.

De torenvalk.

Alle soorten valken jagen overdag op levende prooien. Torenvalken grijpen hun prooi op de grond. Daar zijn ze dan ook echt voor gebouwd. Het voorste deel van hun lijf is het zwaarst, zodat ze makkelijk kunnen duiken. Alle soorten valken hebben lange, puntige vleugels, een rechte staart, sterke vliegspieren en een snelle vleugelslag. Ze zijn bijzonder wendbaar en ze kunnen hun snelheid plotseling enorm opvoeren. De vrouwtjes zijn altijd wat groter dan de mannetjes. Maar die zijn weer wat kleuriger. De torenvalk is een roofvogel. Ze komen over de hele wereld voor. Er zijn wel honderden verschillende soorten. Roofvogels worden onderverdeeld in twee grote groepen. De dagroofvogels en de nachtroofvogels. Nachtroofvogels jagen voornamelijk ’s nachts. Bijv. de uilen. Dagroofvogels jagen voornamelijk overdag. Hier hoort de torenvalk ook bij. De dagroofvogels worden onderverdeeld in 4 families. De gieren, de secretarisvogels, de havikachtige  en de valken. De torenvalk is dus van de valkenfamilie. Andere familieleden zijn bijv. de boomvalk en de slechtvalk. De torenvalk, zoals hij in Nederland voorkomt, is een kleine roofvogel. In vergelijking met de andere valken heeft de torenvalk een betrekkelijk lange staart. Van snavel tot staartpunt meet hij ongeveer 34 centimeter. Waarvan ongeveer 14 cm. Voor rekening komt van de staart. De spanwijdte tussen de vleugels bedraagt zo’n 75 cm. Toch is de torenvalk maar een kleintje onder de roofvogels. Een buizerd die je hier ook vaak ziet en die soms ook “bidt” is wel 4x zo groot.  

De havik.

De rug van de havik is bruin, de onderzijde is vaalwit met dunne, donkere dwarsstrepen. De havik lijkt door dit verenkleed op de sperwer, maar is duidelijk zwaarder gebouwd. Ook onderscheidt de havik zich door de aanwezigheid van een lichte wenkbrauwstreep. Jonge vogels hebben een bruinere onderzijde zonder donkere dwarsstrepen. In plaats daarvan is het verenkleed getekend met korte lengtestrepen. In de vlucht vallen de korte, brede vleugels en de lange staart op.

De havik doodt met de sterke klauwen bij voorkeur vrij grote prooien zoals konijnen en hazen. Ook grote vogels waaronder ook andere roofvogels worden gegeten. Het nest wordt op een hoge, goed verstopte plaats gebouwd. De vogel gebruikt het nest meerdere jaren achter elkaar en breidt het
daarbij steeds verder uit.

De buizerd.

Deze roofvogel is vaak in Nederland te zien, zittend op een paaltje langs de weg of zwevend in de lucht. Buizerds vangen meestal kleine dieren zoals muizen en mollen en in het winterhalfjaar ook vaak wormen en insecten. Daarnaast eten ze regelmatig aas.

In de jaren zestig en zeventig is hun aantal sterk achteruitgegaan, vooral door ophoping van pecticiden. Hun aantal is daarna weer spectaculair toegenomen. Nu broedt er ongeveer 10.000 paar in Nederland. Daarmee is de buizerd de talrijkste roofvogel van ons land.

De vale gier.

Met een spanwijdte van soms meer dan 2,5 meter behoord de vale gier tot de grootste vliegende vogels ter wereld. De combinatie van het bruine verenkleed met de zwarte staart- en slagpennen geeft de vogel in de vlucht een tweekleurig beeld. De vale gier onderscheidt zich van andere roofvogels door de licht bevederde hals en de minder krachtig ontwikkelde poten. Dit zijn typische kenmerken van een aaseter, met de lange hals is ook het vlees uit het binnenste van een karkas bereikbaar, terwijl de kop niet vast kan komen te zitten doordat de veren achter de botten blijven haken.

De vale gier overnacht in troepen op een vaste slaapplaats, bij de eerste thermiek in de ochtend stijgen de vogels op tot grote hoogte om al zwevend te speuren naar dode dieren. De vogels vliegen hierbij redelijk ver uit elkaar, maar blijven hun soortgenoten in de gaten houden. Zodra een vale gier een vers karkas heeft gevonden moet deze doorgaans al snel plaats maken voor zijn soortgenoten.

Hoewel vale gieren doorgaans voornamelijk in Zuid-Europa te zien zijn, deed in 2007 een groep van tientallen vale gieren Nederland en België aan, waarschijnlijk gedreven door voedseltekort in Spanje.

Roodbosje.

Dankzij de oranje borst is de roodborst met geen enkele andere Nederlandse vogel te verwarren. De vogel jaagt in het eigen territorium op insecten en duldt daarbij buiten het broedseizoen geen soortgenoten. De roodborst jaagt vaak vanaf een uitkijkpost en is daardoor vaak duidelijk waar te nemen. Jonge vogels hebben een geheel gevlekt verenkleed, zonder oranje. In het najaar van het eerste jaar krijgt de vogel zijn volwassen verenkleed. De zang van de roodborst begint met een serie hoge tonen en is het grootste gedeelte van het jaar te horen. De vogel laat daarnaast vaak snel achter elkaar een serie harde tik klanken horen.

De roodborst bouwt een diep nest op de grond, bijvoorbeeld tussen graspollen of boomwortels. In de winter trekken de vogels soms over een korte afstand naar het zuiden, maar de meeste vogels overwinteren in Nederland. De Nederlandse populatie wordt 's winters aangevuld met roodborsten uit broedgebieden verder naar het noorden en het oosten.

De koolmees.

De koolmees is één van de meest voorkomende en meest opvallende vogels die in Nederland voorkomen. De vogel is dan ook één van de bekendste Nederlandse vogels, mede omdat de vogel niet schuw is en in de winter regelmatig op voedertafels aan te treffen is. Het mannetje is van het vrouwtje te onderscheiden doordat de zwarte streep op de buik veel breder is. De zang van de koolmees is erg variabel, maar vaak is een herkenbaar titituu of tituu te horen.

De koolmees is een holenbroeder en broedt onder andere in boomholten en nestkasten. Vanwege de korte levensduur van de koolmees worden er per broedsel veel eieren gelegd. Hoewel in sommige jaren met meerdere broedsels begonnen wordt, brengt de koolmees ieder jaar slechts één nest jongen groot. Koolmezen laten soms een nest met eieren of zelfs jonge vogels in de steek, om onder betere omstandigheden op een andere plek opnieuw te beginnen. 

De putter.

De putter is door de bont gekleurde kop van zowel het mannetje als het vrouwtje een onmiskenbare vogel die met geen enkele andere vogel te verwarren is. In de vlucht valt vooral de brede, gele vleugelstreep over de verder zwarte vleugel op. Ook de zang van de putter is duidelijk herkenbaar en bestaat uit een snelle opeenvolging van korte, gevarieerde tonen. De putter laat de zang vooral in de vlucht te horen.

Buiten de broedtijd wordt de putter vaak in groepjes gezien in de buurt van distels. Om deze reden wordt de putter ook wel distelvink genoemd. De snavel van de putter is lang voor een vinkachtige, zodat de vogel makkelijk bij de zaden van distels en klissen kan komen, hierbij hangt de putter vaak ondersteboven. 

De huismus.

De huismus is één van de meest voorkomende vogels van Nederland. Het geluid is een typisch tsjilpen, waardoor de aanwezigheid van een groep huismussen snel duidelijk wordt. Het mannetje is duidelijk van het vrouwtje te onderscheiden door het donkerbruine verenkleed en de grijze kruin. De grijze kruin onderscheidt het mannetje ook van de ringmus, die bovendien een zwarte vlek op de wangen en een witte halsband heeft.

Huismussen hebben zich aan de mens aangepast en broeden vrijwel overal waar mensen wonen. De vogels broeden in kleine groepen en bouwen onder andere nesten in gaten van muren, onder dakpannen en in nestkasten. Doordat moderne huizen vaak geen nestgelegenheid meer bieden, is de populatie huismussen in Nederland de laatste decennia meer dan helft. Dit is de belangrijkste reden dat de vogel in 2004 op de rode lijst is geplaatst. 


Het  winterkoningkje.

De winterkoning is een klein vogel die vooral wordt gekenmerkt door de rechtopstaande houding van de staart. Het verenkleed is roodbruin en voorzien van talrijke donkere dwarsstreepjes. De zang van de winterkoning bestaat uit een reeks schetterende klanken met een triller en een hoge toon op het eind. De zang is erg luid en het gehele jaar te horen. De vogel bevindt zich meestal laag in het struikgewas of onder andere beschutting en is vrijwel voortdurend in beweging. De vlucht is opvallend snel, waarbij de vleugels een snorrend geluid veroorzaken.

Het mannetje maakt meerdere, vrijwel geheel gesloten nesten, waarvan het vrouwtje er ééntje kiest om deze aan de binnenkant te bekleden met veertjes en ander zacht materiaal. Doordat de winterkoning erg klein is, verliest de vogel in de winter veel warmte. In koude nachten kruipen groepen winterkoningen dicht tegen elkaar om warm te blijven. Toch kan in strenge winters wel 75% van de winterkoningen sterven, zodat het aantal winterkoningen per jaar sterk kan wisselen.

De groenling.

De bouw van de groenling is nagenoeg gelijk aan die van de vink, maar door het groene verenkleed van met name met het mannetje is de groenling niet herkenbaar. In de winter bevinden zich nog bruine randjes aan de veren, zodat het groene verenkleed 's winters minder opvallend is. Gedurende de winter slijten de randjes van de veren, zodat in het voorjaar het zomerkleed weer zichtbaar wordt. De groenling is behalve aan de kleur ook goed te herkennen aan de typerende zang, die regelmatig in een zangvlucht voorgedragen wordt. Door de groengele vleugelranden en de gele staartzijden is de vogel ook in de vlucht goed te herkennen.

In de winter trekt een deel van de populatie weg, maar tegelijk overwinteren vogels uit het noorden in Nederland, zodat het aantal vogels min of meer constant blijft.

 

De Nachtegaal.

De Nachtegaal is een vogelsoort uit de familie Lijsters. De Nachtegaal is een vrij kleine vogel, die ongeveer 15 tot 16 cm groot wordt en vooral voorkomt in loofbossen, duinen en struiken. Het is een onopvallende vogelsoort, die je veel hoort fluiten, maar zelden ziet. De Nachtegaal is egaal bruin van kleur en is makkelijk te herkennen aan zijn grote zwarte ogen. Zijn staart is roodbruin en zijn buik is lichtgrijs van kleur. De Nachtegaal staat op de rode lijst van meest kwetbare en bedreigde vogelsoorten en heeft slecht 7.000 broedparen per jaar.

Kanaries

De kanarie is één van de bekendste gevederde huisdieren. Het vogeltje blijft volkomen terecht een bijzonder lief diertje. Door zijn boeiende gedrag, zijn opwekkende aard en niet in het minst het gezang van het mannetje brengt een kanarie de zon en natuur in huis.
Hij stamt inderdaad af van de Canarische eilanden. Tegen het eind van de 15e eeuw werden deze bijzondere vogeltjes door zeelieden meegebracht van de Canarische eilanden via de Azoren en Madeira naar het Spaanse vasteland. Hier werden door Spaanse monniken de eerste kanaries gekweekt. Bijzonder mooi waren deze eerste kanaries niet, donkergroen met bruingrijze aftekening en slechts zo’n 12 cm groot. Door eeuwenlang kweken en selecteren zijn de mooie kleuren en vormen ontstaan.
Een vrouwtjeskanarie noemt men een pop. Niet alle kanaries zien geel, zoals sommige denken. Er zijn bijvoorbeeld ook witte, oranje of zelfs bruine kanaries.
Een kanarie die goed verzorgd wordt, zal juist niet tien jaar oud worden. Ook als de kanarie te dik wordt, zal zijn leven niet zo lang duren.
Kanarievoer uit de winkel bestaat uit een mengeling van zaden, zoals koolzaad, raapzaad, negerzaad enzovoort. Deze kanarievoeding is uitstekend geschikt als basisvoedsel. Een beetje groenten of fruit is natuurlijk ook niet slecht voor de kanarie. Het moet natuurlijk wel onbespoten zijn, anders kunnen ze ziek worden. Maar nog het liefste van al eten ze eivoer. Dit geef je het beste alleen tijdens de rui en broedtijd.
De paartijd is meestal in de maanden maart of april. Na de paring legt de pop 4 a 6 eieren, waarna zij die uitbroed. Tijdens het broeden voedt het mannetje de pop. Na 13 a 14 dagen komen de jongen uit het ei. Tot op de 6 de dag zijn de jongen naakt en houden de oogjes gesloten. De ouders voederen de bedelende jongen tot ze 30 dagen oud zijn.
Als een kanarie overlijdt en zijn partner alleen achter blijft, kun je het beste hem zo snel mogelijk een nieuwe bezorgen.
Een goedverzorgende kanarie is zelden ziek, maar natuurlijk kan het gebeuren dat hij parasieten oploopt, zich verwond of ziek wordt. Een zieke kanarie zit meestal op de bodem van de kooi, is lusteloos en eenzelvig.
Hij geeft dan een opgeblazen, bolle indruk. Vaak als je het vogeltje niet goed verzorgd. Zal je meestal de volgende dag een dood vogeltje in de kooi zien liggen. Om dat te vermijden ga je het best naar een dierenarts.
Mogelijke ziektes zijn: verkoudheid, diaree, krop-catarre, kanariepokken enzovoort.
De rui is echter geen ziekte. Éénmaal per jaar is de kanarie in de rui, dit wil zeggen dat de vogel al zijn pluimen verliest en een volledig nieuw verenkleed krijgt.
Kanaries kunnen zonder enkel probleem op dunne twijgen schommelen en zich in de lucht in evenwicht houden.
Kanaries zijn geen troeteldieren, zoals bijvoorbeeld hond, kat, cavia of dwergkonijntje. Als je zou proberen hem van bovenaf met de hand te pakken, zal hij direct in paniek geraken. Hij zou denken dat een roofvogel hem te pakken neemt. Alles wat bovenaf nadert, jaagt hem doodangst aan. Kanaries kunnen zelfs van schrik een hartaanval krijgen. Maar als je veel geduld hebt, zal de kanarie zeer vertrouwd en tam worden.

Wil je meer weten over al deze vogels? of andere soorten ga dan naar:

http://www.vogelvisie.nl/